-
Noem bij begroeting altijd uw
naam, ook als u elkaar al kent. Uw stem is namelijk niet altijd direct te
herkennen
-
Vraag altijd eerst of en hoe u
kunt helpen. Is uw hulp niet nodig, dring dan niet aan.
-
Vermijd struikelblokken als
half openstaande (kast)deuren en onaangeschoven stoelen
-
Vertel altijd wie er in een
kamer is. Stel iedereen voor - ook kinderen en huisdieren.
-
Geef aan waar een zitplaats is.
Het gemakkelijkst is als u de arm- of rugleuning laat voelen
-
Vermijd begrippen a.s 'hier' en
'daar'. Praat in termen van afstanden, stand van de wijzers van de klok ('de
aardappels op je bord liggen op twee uur') of rechtvoor, links, rechts, achter
etc.
-
Een blindengeleidehond werkt
voor de veiligheid van zijn baas. Daarvoor moet het dier geconcentreerd
zijn. Leid een aangelijnde geleidehond nooit af door hem te aaien, te roepen
of iets te eten te geven.
-
Gebruik gerust woorden als 'zien'
en 'kijken'. Slechtzienden en blinden gebruiken deze uitdrukkingen ook
-
U hoeft tegen een slechtziende
of blinde niet harder te praten
-
Spreek elkaar direct aan, ook
al is hij of zij in het gezelschap van een ziende
-
Kinderen benoemen wat ze zien.
Dus als een kind zegt:"Die meneer is blind, he mamma?", dan kunt u dat gerust
beamen. Dat voorkomt verkrampte situaties.